Bijbelstudie

Schrijvers uit verschillende kerkelijke gezindten hebben bijbelstudies gemaakt bij citaten van God. Deze zijn gebundeld in het boek 'Rode letters'. Een deel daarvan is opgenomen in de Startersbijbel. Op deze pagina zijn enkele teksten te raadplegen.

  

Klik hieronder voor enkele bijbelstudies:

Als David op zekere dag rondkijkt in zijn prachtige paleis van cederhout schaamt hij zich voor de eenvoudige tent waarin de ark van God staat. Er groeit in hem een groot verlangen om een tempel te bouwen die goed genoeg is voor God. De profeet Natan, aan wie David dit vertelt, moedigt hem in eerste instantie aan met de woorden: 'Doe gerust wat u van plan bent.' Maar in diezelfde nacht spreekt God met Natan. Hij stuurt hem terug naar David met een andere boodschap. 

In 1 Kronieken 17:4 staat heel duidelijk wat Natan tegen David moet zeggen: 'U mag voor Mij geen huis bouwen.' Deze boodschap wordt in 1 Kronieken 17:9 aangevuld: 'Ik zal mijn volk Israël een blijvend thuis geven.'

Hier zien we een voorbeeld van het verschil tussen de wegen en gedachten van God en die van de mens. David blijft in zijn gedachten hangen op een aards niveau: hij wil een huis bouwen voor de Here. Maar de belofte van God aan David is van een hemels niveau. God zegt dat Hij voor David en het volk Israël een huis zal bouwen. Voor zijn eigen huis gebruikt Hij de zoon van David, Salomo. 'Hij is degene die een tempel voor Mij zal bouwen' (2 Samuël 7:13). David gebruikt het woord 'huis' in materiële zin. In de belofte van God komt naar voren dat Hij doelt op een koningshuis dat voor eeuwig zal bestaan.

Stel je eens voor: je hebt een plan en je wilt met de beste bedoelingen iets moois bouwen voor God. Ongetwijfeld ziet God de oprechtheid van je hart, maar Hij denkt er anders over dan jij. Voel je je nu boos of afgewezen? Zou dat kunnen komen doordat je God nog niet zo hebt leren kennen als David? 

David heeft God inderdaad beter leren kennen. De profeet Samuël zalfde hem al tot koning toen hij nog heel jong was (1 Samuël 16:13). 

Maar er is nog een belangrijk ander punt. In 1 Korintiërs 15:46 staat: 'Het natuurlijke lichaam komt eerst en daarna pas het geestelijke.' Dat betekent: als je in de gewone aardse, natuurlijke dingen niet trouw bent, zul je dat ook niet zijn in geestelijke zaken. 

Toen Davids vader hem vroeg op weg te gaan om zijn broers brood te brengen (1 Samuël 17:17-54) had hij niet gedacht ooit een reus als Goliat te verslaan. David doet wat zijn vader hem vraagt. Hij is gehoorzaam, ook in de kleine dingen. Terwijl hij zijn broers het meegebrachte brood geeft, hoort hij het geschreeuw van Goliat. Goliat beledigt zijn God en David vindt dat hij daarop moet reageren. Dan zien we iets opmerkelijks: David kwam alleen maar om zijn broers brood te brengen, maar het loopt uit op een spannend gevecht met de reus Goliat.

Ons doel is niet om reuzen te verslaan, maar om brood (het woord van God) uit te delen aan alle mensen die Jezus nog niet kennen. Daarvoor heb je een broodhuis nodig. Een huis waar God woont. David moet even wennen aan die gedachte, maar we zien in 1 Kronieken 17:16 wat hij doet. Nadat David de boodschap krijgt dat hij geen huis voor God mag bouwen, gaat hij het heiligdom binnen, neemt plaats voor de Here en bidt. Hij zet zijn eigen verlangens en plannen opzij. Hij gaat God prijzen, danken en eren voor zijn grootheid en eindigt met de woorden 'Here, het woord dat U gesproken hebt (…), dat moge tot in eeuwigheid werkelijkheid blijven' (1 Kronieken 17:23).

Om te lezen
2 Samuël 7:13

Koning David besluit zijn strijdbare mannen te laten tellen. God wist dat koningen dit zouden willen en had daarom in zijn wet een bepaling opgenomen die ontmoedigend moest werken. Iedere getelde man moest losgeld betalen aan de Here (Exodus 30:11-16). David trekt zich van die regel niets aan. Ook naar Joabs protest luistert David niet. Hij wil die volkstelling gewoon doorzetten.

Dit is een ernstige zonde. God was al boos op Israël. Misschien omdat het volk niet alleen Absalom (2 Samuël 15:12) maar ook de revolutie van Seba (2 Samuël 20:1-26) gesteund had. Nu is Hij opnieuw boos (2 Samuël 24:1). Toch geeft Hij Israël nog een kans, op een bijzondere manier. 

God laat Satan David verleiden tot een volkstelling (1 Kronieken 21:1). Als David de verleiding kan weerstaan, zal Gods straf uitblijven. Helaas, David trapt erin. Ook Joabs verzet veegt hij aan de kant.

David erkent vervolgens zijn zonde. Maar omdat koning en volk samen zondigden, volgt onverbiddelijk Gods straf. God stelt David voor een onmogelijke keus: ‘De Here geeft u een keus uit drie dingen. Welke van de drie kiest u? U hebt de keuze uit drie jaar hongersnood, drie maanden verwoesting door uw vijanden of drie dagen de pest, waarmee de engel als met een zwaard van de Here overal in het land vernietiging aanricht’ (1 Kronieken 21:10-12).

Je zult maar voor zo'n keus gesteld worden! David voelt zich de zondaar. Wat David ook kiest, de straf zal ook het volk treffen.

Davids antwoord toont een doorleefd geloof. Hij heeft van alles meegemaakt in zijn leven met de Here. God strafte hem na de zonde met Batseba (2 Samuël 12). Mensen, bijvoorbeeld koning Saul, hebben hem vervolgd met de bedoeling hem te doden. Van deze ervaringen heeft hij iets geleerd. Hij antwoordt: 'Dit is een vreselijk moeilijke beslissing, […] maar ik val liever in handen van de Here dan in de macht van mensen, want Gods genade is erg groot.' Met die woorden kiest hij voor de engel van de Here. In al zijn ellende geeft David ons een diepe les in levenswijsheid.

Gods straf breekt los. Je huivert als je leest dat de plaag die rondgaat 70.000 mensen het leven kost. Israël heeft Gods woede opgewekt. En David heeft daar nog een schepje bovenop gedaan. In Egypte mocht Israël zich beschermen tegen Gods verderfengel (Exodus 12). Nu dringt deze engel wel binnen bij Gods volk. God had Israël nog een kans gegeven. Als David niet voor de verleiding was gevallen, had hij deze straf voorkomen. In dat kader staat ook het protest van Joab.

Nu de straf toch komt en Israël met haar koning het verdiende loon krijgt, blijkt dat God nooit genadeloos is. De straf wordt ingeperkt. Jeruzalem wordt gevrijwaard. Gods verderfengel moet stoppen.

De uitdrukking 'God is nooit genadeloos' behoeft wel enige nuance. Op Golgota was Hij het voor Jezus wel, opdat Hij voor geen enkel ander mens genadeloos hoeft te zijn.

Het verhaal eindigt met de mededeling dat de plaats waar de verwoestende engel halt moest houden de plaats van Gods eerste stenen tempel wordt (1 Kronieken 22:1). Aan Gods vaste woon- en verblijfplaats op aarde is een geschiedenis verbonden die laat zien dat met God niet te spotten valt, maar dat Hij vol genade is.

Om te lezen
1 Kronieken 21:1-22:1 en 2 Samuël 24

In gedachten zie ik Nehemia bij de deur staan en zijn broer uit het verre Jeruzalem begroeten. 'Hoe was de reis,' hoor ik hem zeggen. En daarna natuurlijk ook: 'Hoe gaat het met iedereen die is teruggekeerd uit de ballingschap en nu in Jeruzalem woont?' Maar als zijn broer verslag doet, verdwijnt de glimlach op zijn gezicht. Hij trekt wit weg. Hij gaat zitten en barst in tranen uit. Wat zijn broer vertelt, is dat de mooie stad Jeruzalem nog steeds in puin ligt. De mensen hebben de tempel en natuurlijk een huis voor zichzelf herbouwd, maar daar is het bij gebleven. De poorten hangen verbrand in wat er nog over is van de muren. En dat is het enige niet: er zijn mensen die creperen van de honger. Sommigen hebben zich als slaven verkocht aan hun eigen volksgenoten. En God? Het is weer net zoals vroeger. Hier en daar een beetje vroomheid als het uitkomt.

In het eerste hoofdstuk van Nehemia komt de profeet niet gelijk met kritiek en een scheldpartij op de laksheid van de Joden in Jeruzalem. Of met het excuus dat het moeilijk is omdat de Samaritanen die in het land wonen zo tegenwerken. Nehemia staat niet te wijzen. Hij doet belijdenis van zijn eigen zonden en tekortkomingen. Nehemia is een vrome man die God liefheeft, en hij voelt zich niet te groot om zijn hoofd voor God te buigen. 

Nehemia weet wat er moet gebeuren: hij zelf zal verlof vragen aan de Perzische koning. Dan kan hij naar Jeruzalem gaan en de zaken aanpakken. Dat zal niet eenvoudig zijn, want hij heeft een belangrijke functie aan het hof. Maar eerst gaat hij naar God en spreekt tot Hem. En als hij bidt, hoort hij hoe God tegen hém spreekt (Nehemia 1:8-9). Het zijn oude woorden, ooit door God uitgesproken tegen Mozes, een belofte en een waarschuwing: 'Als u zondigt, zal Ik u over verschillende landen verspreiden. Maar als u naar Mij terugkeert en zich nauwkeurig houdt aan mijn geboden, dan zal Ik u terugbrengen naar Jeruzalem, waar u ook bent.' Die oude woorden zijn nog steeds actueel. 

Hoe raken woorden jou? Het is allemaal niet zo gemakkelijk meer als vroeger. De kerk zou veel kunnen verbeteren en we hebben geen probleem met kritiek geven. Maar misschien moeten we naar onszelf kijken. Waar laten wij dingen liggen? Wat moeten wij opruimen en hoe kunnen we ons leven met God en met anderen verder opbouwen? Wat kan beter? 

God heeft Israël weer teruggebracht en de Joden leven weer in het beloofde land. Maar de tijden zijn moeilijk en dingen zijn nog lang niet volmaakt. Maar meten we als christenen niet in de eerste plaats naar onszelf kijken en ons afvragen: waar zegen ik Jeruzalem en het Joodse volk? Hoe vaak bid ik om de vrede van Jeruzalem (Psalm 122:6)? Moet je zien wat God in Nehemia 1 over Jeruzalem en zijn volk zegt. Bereiken die woorden jou ook? Wat doe je met die woorden?

Om te lezen
Nehemia 1 en Nehemia 9

'Een half jaar lang heb ik hard gewerkt en gespaard voor een droomvakantie. Maar nu ben ik ziek en kan ik mijn vakantie wel vergeten. Waarom laat God dit gebeuren?'

Herken je dit gevoel van oneerlijkheid? Die vraag: waarom laat God dit gebeuren? Iemand die het zeker herkent, is Job. Zijn naam kan ‘de aangevochtene’ of 'de vrome' betekenen. Die twee betekenissen zijn beeldend: hij is een vroom mens die veel te verduren krijgt. Een ramp teistert zijn leven. Op één dag verliest hij al zijn bezittingen. Zijn wereld stort helemaal in als hij hoort dat zijn zeven zonen en drie dochters zijn omgekomen bij een storm. Het huis waarin zij aan het feesten waren, is compleet verwoest door een soort windhoos. In een klap is de rijke herenboer straatarm. Hij is een gebroken man. Als zijn vrienden hem bezoeken, herkennen ze hem niet eens.

Waarom overkomt Job dit? Waarom gebeurt dit? Job heeft geen idee. Wie het bijbelboek vanaf het begin leest, weet meer. Satan, de grote tegenspeler van God, vindt het niet gek dat Job vroom is. Hij is rijk en het leven lacht hem toe. Dan is het makkelijk om ‘dank U wel’ te zeggen. Stel: alles wordt hem afgenomen. Wedden dat ook zijn geloof dan verdwijnt als sneeuw voor de zon? 

De Here God gaat de uitdaging aan. Hij gelooft niet dat Job Hem alleen maar trouw is omdat het hem goed gaat. En zo volgt de proef op de som. Zonder dat Job er iets van weet. 

Hoe reageert Job? Verbijsterd en bitter. Hij begrijpt er niets van. Zijn geloof maakt het hem extra moeilijk. Waarom laat God dit allemaal toe? 

Zijn vrienden menen het te weten. Na een week zwijgen begint Bildad: 'Je kinderen zullen wel iets op hun kerfstok hebben, Job. Er moet iets zijn. God straft nooit zomaar. Als je God voor hen om genade smeekt en zelf niets verkeerds gedaan heeft, komt het vast wel weer goed.'

De woorden van Bildad helpen Job niet. Verklaringen van erge dingen zijn bijna nooit de oplossing. Daar is het leven te complex en het verdriet te diep voor. 

Job weet dat er altijd wel iets op zijn leven en dat van zijn kinderen is aan te merken. Tegenover God, de schepper van hemel en aarde, staat een mens altijd schuldig. Laat staan dat je Hem kunt aanklagen. 'Alleen Hij is sterk en rechtvaardig. Hij daagt iedereen uit: "Wie kan bewijzen dat Ik onrechtvaardig ben?"' (Job 9:19). Job beseft dat God zich niet voor het gerecht laat dagen. 

Maar bij God geldt niet: voor wat hoort wat. De Here God is geen rekenmeester die de goeden beloont en de kwaden straft. Nee, Hij is een Vader die onvoorwaardelijk van zijn kinderen houdt. In de hoop dat zijn kinderen, net als Job, uit liefde in Hem geloven. 

De vrienden van Job maken van het geloof een rekensom. Ze helpen Job er geen steek verder mee. Hij wordt er nog eenzamer door. Hun verhaal klopt niet. God is niet onrechtvaardig. Hij is geen rekenmeester, maar een God van liefde.

Om te lezen
Job 8:1-7, 9:1-4 en 9:10-20

De profetie van Nahum is kort maar krachtig. Een literair hoogstandje, volgens bijbelgeleerden. Flitsende beelden, meeslepend taalgebruik: de tekst boeit de lezer van begin tot eind. Maar inhoudelijk valt het niet mee om dit profetische boekje te lezen. Het is één lange, vernietigende oordeelsprofetie. Een massief doodsvonnis aan het adres van Nineve. 'Iedereen die u ziet, zal verschrikt terugdeinzen: "Nineve ligt helemaal in puin!" Niemand zal zich uw lot aantrekken, niemand zal u troosten!' (Nahum 3:7). 

Welke rechter spreekt dit vonnis uit? De God die wraak neemt op zijn tegenstanders (Nahum 1:2). 

Wat is dit voor tekst? Een wraaklied van een gefrustreerde Israëliet die zijn duistere gevoelens de vrije loop laat? Is dit geen pure haat? Integendeel. 

Je moet het boekje van Nahum tegen zijn eigen achtergrond lezen. Nineve (tegenwoordig Mosul) is de hoofdstad van het Nieuw-Assyrische wereldrijk, in het noorden van het huidige Irak. Jaar na jaar trekken de Assyrische legers vanuit Nineve naar de landen rondom, met een verpletterend militair overwicht. Ze moorden en plunderen waar ze kunnen. Ze slepen hele volken – waaronder het tienstammenrijk van Israël – naar andere landen om hun verzet te breken. Er gaat jaarlijks een lange stroom van buit naar Nineve. Nahum vergelijkt de stad met het hol van een leeuw waar welpen worden gevoed: 'u vulde uw stad en uw huizen met geroofde buit' (Nahum 2:11-12). 

De politiek en de ideologie van de Assyriërs bestaat uit het zaaien van angst, door wrede onderdrukking en extreem geweld. In het British Museum in Londen is een zaal gevuld met wandreliëfs uit het paleis van Sanherib, een Assyrische koning die we ook uit de Bijbel kennen. Op die reliëfs zie je Sanheribs aanval op de Judese stad Lachis. Gruwelijke martelpraktijken worden afgebeeld. Het nietsontziende geweld van de Assyriërs dompelde de wereld om hen heen in ellende. 

Je zou de Assyriërs van toen kunnen vergelijken met de nazi’s in de Tweede Wereldoorlog. Stel je voor dat Hitler-Duitsland in 1941 Engeland en Rusland had veroverd, en in 1942 samen met de Japanse krijgsmacht ook de Verenigde Staten. Er zou voor de veroverde volken geen hoop meer overblijven. Dat is precies de situatie waarin de profetie van Nahum is ontstaan. In zijn dagen heeft Assyrië namelijk ook zijn allerlaatste tegenstander, Egypte, verslagen. Thebe, de onneembare hoofdstad van Egypte, is gevallen (Nahum 3:8-10). Het wrede Assyrië beheerste de hele wereld. 

Maar dan staat er een profeet op. Nahum is zijn naam, 'trooster'. Zijn boodschap brengt een diepe troost: denken jullie, Assyriërs, nu de hele wereld gevangen te hebben in het web van jullie kwaadaardigheid? Weet wel: er is een God die hier een einde aan maakt. De God der wrake, de God die recht doet, die Zich het lot van de onderdrukten aantrekt. Deze God komt en maakt een einde aan jullie demonische macht! Nineve, jij zult vallen en nooit weer opstaan. 

Dit is geen profetie die vergiftigd is met nationalisme en haatgevoel. Deze profetie brengt een machtige boodschap van hoop aan een wereld zonder uitzicht. Daarom eindigt Nahum zo: 'Allen die het nieuws van uw ondergang horen, klappen van blijdschap in de handen. Want wie heeft niet te lijden gehad van uw wreedheid?' (Nahum 3:19).

Om te lezen
Nahum 3:1-13

Een verhaal met een actueel thema. Een bedelaar wordt voor de poort van de villa van een rijke man gelegd. De rijke man – zijn naam krijgen we niet te horen – leeft vrolijk en overdadig. Zorgeloos geniet hij van wat het leven hem gebracht heeft. Lazarus, wiens naam wel wordt genoemd, is arm en ziek. Hij heeft hulp nodig. Lazarus heeft kennelijk niet veel wensen. Hij zou al genoegen nemen met de kruimeltjes van de tafel van de rijke man. Uiteindelijk sterft hij en wordt hij door de engelen naar Abraham gedragen. 

In heel dit hoofdstuk spreekt Jezus zijn luisteraars toe over bezit. Hij wijst erop dat het belangrijk is om goed om te gaan met wat ons is toevertrouwd. Jezus veroordeelt nergens dat mensen het goed hebben of rijk zijn. Hij heeft het wel vaak over de gevaren daarvan. En in dit deel zegt Hij ook dat we oog moeten hebben voor mensen in nood, voor de naaste. 

Jezus is in gesprek met Farizeeën. Dat waren in die tijd de leiders van de kerk. Van hen wordt gezegd dat ze gierig waren (Lucas 16:14). Juist zij die het voorbeeld moeten geven, die de wet zo goed kennen, laten in de praktijk niet Gods liefde zien. Als mensen met God leven, Hem dagelijks zoeken door te bidden en door de Bijbel te lezen, verwacht je dat ze weten wat God echt wil. Hoe Hij wil dat we leven, ook met elkaar. 

Het is zo gemakkelijk om in ons eigen wereldje te blijven leven. Daarin vinden we het belangrijk dat wij het goed hebben, zelfs als dat soms ten koste gaat van een ander. Het is verleidelijk om mee te gaan met alle trends om ons heen. 'Het is toch niet erg als ik gewoon geniet van het leven,' wordt dan vaak gesteld. Dat klopt! Maar de Bijbel laat zien dat er meer is dan alleen zelf genieten van het leven. 

In dit verhaal wijst Jezus erop dat ons leven niet beperkt is tot het hier en nu. Het is belangrijk dat ook wij het juiste perspectief voor ogen houden. We leven niet voor altijd hier op aarde. De belangrijkste vraag die na dit leven gesteld gaat worden, is: welke keuzes heb jij gemaakt? 

De Bijbel is ons gegeven om de richtlijnen van God voor het dagelijkse leven te ontdekken. Soms verwachten we een soort ‘stem uit de hemel’ die ons dingen duidelijk zal maken. Maar Jezus is daar duidelijk over. 'Als zij niet naar Mozes en de profeten luisteren, zullen zij ook niet luisteren naar iemand die terugkomt uit de dood' (Lucas 16:31). 

In gebed en door het lezen van de Bijbel wil God ons vertellen over de belangrijke dingen in het leven. Hij wil ons leren om zijn liefde voor de ander te voelen, om door zijn ogen naar de wereld om ons heen te kijken.

Om te lezen
Lucas 16:20

Johannes hoort Jezus bidden. En wij mogen meeluisteren. Want deze leerling van Jezus heeft het gebed van zijn Meester opgeschreven. Gelukkig voor ons, want het zijn bijzondere woorden. 

Jezus heeft zijn discipelen verteld dat Hij deze nacht gearresteerd zal worden. Maar Hij is niet in paniek. Nee, Hij bidt. Het is een intiem gebed. Gods geliefde Zoon spreekt met zijn geliefde Vader van hart tot hart. 

Wat heeft Jezus op zijn hart? Hij bidt voor zijn vrienden. Waarom? Omdat Hij zoveel van hen houdt. En Hij bidt ook voor ons. Luister maar. 'Wat Ik U vraag, is niet alleen voor hen. Het is ook voor de mensen die door hen in Mij zullen gaan geloven' (Johannes 17:20). 

Hoor je het goed? Jezus denkt op dat bijzondere moment ook aan jou. Luister ook naar de volgende woorden. Jezus bidt: ‘Ik verlaat de wereld en kom bij U, maar zij blijven nog in de wereld. Heilige Vader, bescherm hen in uw naam, de naam die U ook aan Mij gegeven hebt, zodat zij één kunnen zijn zoals Wij’ (Johannes 17:11). 

In dit bijbelvers hoor je Jezus zeggen dat Hij de wereld gaat verlaten. Hij weet dat Hij zal sterven, want Hij zal Zichzelf uitleveren. Waarom? Omdat Hij alles wil ondergaan wat wij ondergaan. Daarom zal Hij afwijzing, lijden en dood meemaken. Hij zal als onschuldige veroordeeld worden. Dat is het grootste drama in deze wereld: als een onschuldige veroordeeld wordt. 

Maar Jezus weet ook dat Hij naar zijn Vader zal gaan. Hij zal opstaan uit de dood en naar de hemel vertrekken. Daar zal Hij door zijn Vader geëerd worden, omdat Hij alles heeft gedaan wat Hij van Hem vroeg. 

Jezus is in zijn liefde voor ons tot het uiterste gegaan. Hij is gestorven in onze plaats. Daarom hoeven we niet meer bang te zijn voor het oordeel van God, of voor het oordeel van mensen. We hoeven zelfs niet meer bang te zijn voor de dood. Nee, God gunt ons alles wat Hij Jezus heeft gegeven. Ken je God en ken je Jezus, en weet je hoe Ze over je denken? Dan weet je dat Ze eeuwig met jou verder willen leven (Johannes 17:3). 

Jezus is opgestaan uit de dood. Ook wij zullen opstaan uit de dood. We zullen voor altijd samen met Hem bij onze hemelse Vader zijn. 

Jezus bidt dat wij het vol zullen houden om dat te geloven. Want we zijn nu nog in deze wereld. En we worden hier gemakkelijk ontmoedigd. We horen zoveel geluiden om ons heen die ons afleiden van Gods goedheid. Daarom bidt Jezus om bescherming. Hij vraagt of zijn Vader ons wil beschermen in zijn naam. Zodat we altijd zullen weten dat we Gods kinderen zijn. Gods kinderen die Gods naam dragen. Omdat God onze Vader is. We zijn wel in deze wereld, maar met een hemelse Vader. 

Wij zijn dus Gods kinderen. Allemaal kinderen van één Vader. Hij koestert en beschermt ons, omdat we allemaal voor Hem even kostbaar zijn. Jij en ik, wij zijn net zo kostbaar als Jezus. Onze hemelse Vader houdt net zoveel van ons als van zijn geliefde Zoon Jezus (Johannes 17:23). 

Jezus weet wat Hij bidt. Hij bidt om eenheid. En Hij weet dat die mogelijk is. Onze eenheid met Hem verbindt ons ook met elkaar. Want als je gelooft dat jij Gods geliefde kind bent, dan kan die liefde ook doorwerken naar de ander. Ook die is geliefd. Net zo geliefd als jij.

Om te lezen
Johannes 17

Petrus denkt bij het schrijven van zijn tweede brief terug aan een bijzonder moment waarop hij samen met Jezus en twee andere discpelen op een berg was om te bidden. Daar heeft hij iets meegemaakt wat het voor Petrus voor eens en altijd duidelijk maakte wie Jezus is, namelijk de Zoon van God. 

Terwijl Jezus in gebed is, verandert zijn uiterlijk en begint zijn gezicht hemels te stralen. Zijn kleren worden verblindend wit. Alsof dat nog niet genoeg is, verschijnen Mozes en Elia om met Jezus te spreken over zijn aanstaande sterven aan het kruis. 

De discipelen zijn tijdens het bidden in slaap gevallen. Als ze wakker worden en zien wat er gebeurt, worden ze erg enthousiast. Petrus stelt spontaan voor om drie tenten te maken. Eén voor Jezus, één voor Mozes en één voor Elia. Want zulke bijzondere momenten wil je vasthouden. 

Herkenbaar? Soms gebeurt er in je leven iets waardoor je even wat van de hemel proeft, dat je diep vanbinnen ervaart dat God er echt is. Dat kan tijdens een samenkomst gebeuren. Door een lied waar je hart door wordt geraakt. Door een preek die je overtuigt van Gods liefde voor jou. Het gebeurt soms ook wanneer je stil en alleen in gebed bent. God spreekt daarin en wijst je de weg. Juist in tijden van moeite en verdriet bemoedigt God zijn kinderen. In de Psalmen kom je deze ervaringen regelmatig tegen. 

Het voorstel van Petrus om drie tenten te maken wordt door God niet overgenomen. Nog voordat Petrus is uitgesproken wordt er een wolk vol licht boven hen zichtbaar, waaruit een stem klinkt. Petrus herinnert het zich nog precies. De echo klinkt nog steeds in zijn hart. Om nooit meer te vergeten. Het was God Zelf die sprak: ‘Dit is mijn geliefde Zoon. Hij verheugt mijn hart’ (2 Petrus 1:18). 

Een paar jaar daarvoor is bij de doop van Jezus in de Jordaan iets vergelijkbaars gebeurd. Nadat Jezus is gedoopt, scheurt de hemel open en wordt de Geest van God zichtbaar in de vorm van een duif. En ook dan klinkt er een stem uit de hemel met precies dezelfde woorden: ‘Dit is mijn geliefde Zoon. Hij verheugt mijn hart’ (Mattheüs 17:5). 

Deze woorden komen diep uit het hart van God de Vader. Ze vertellen ons iets over de diepe en innige relatie tussen de Vader en de Zoon. De Zoon is geliefd door de Vader. Hij is alles voor Hem en dat is andersom niet minder het geval. Laat dit eens tot je doordringen. Dan ga je nog beter begrijpen hoeveel het de Vader heeft gekost toen Hij zijn Zoon liet sterven aan het kruis. Hij bewees daarmee hoe groot zijn liefde voor ons is. 

Deze woorden laten ook zien hoe de Vader naar ons kijkt. Door het geloof in de Here Jezus zijn we aangenomen tot zonen en dochters van God. We zijn nu net zo geliefd als zijn eigen Zoon. Ook al doen we nog zoveel dingen fout, we zijn kostbaar en geliefd. We zijn Hem zoveel waard dat Hij zelfs bereid was om zijn Zoon te geven. Door wat Hij heeft gedaan is de relatie met God hersteld en leven we in een persoonlijke relatie met Hem.

Om te lezen
2 Petrus 1:10-21 en Lucas 9:28-36